Sien actueel-Ik zit er wel, maar ik hoor er niet bij

Ik ben anders net als jijJij bent anders net als ik
Afbeelding bij het artikel Ik zit er wel, maar ik hoor er niet bij

Zondagochtend. Ik ben er gewoon. Misschien zie je me zitten. Wellicht ook niet. Ik zit ergens aan de zijkant, of achterin. Daar val ik het minst op. Daar stoor ik niemand.

Want dat is wat ik heb geleerd. Niet te veel ruimte innemen.

De dienst begint. Mensen zingen. Praten tussendoor. Lachen. Alles beweegt, alles stroomt. En ik? Ik zit stil. Ik heb mijn eitje meegenomen om de maat mee te slaan. Maar er is vanmorgen geen drummer. Jammer! Verder kan ik eigenlijk niet meedoen. Het tempo ligt te hoog. De woorden gaan te snel. De statische vormen passen niet bij mij.

Ik kijk. Niemand vraagt me wat. Ik ben er wel. Maar ik doe niet mee. En misschien nog pijnlijker: het lijkt alsof dat oké is.

Na de dienst is er koffie en limonade. Mensen zoeken elkaar op, praten in groepjes. Ik wacht. Kijk rond. Misschien komt er iemand. Soms wel, dan krijg ik een schouderklopje, een snelle groet ‘fijn dat je er was’. Niemand blijft. Of vraagt me wat. Niemand komt naast me zitten. Ik bungel. Dat is het woord. Ik ben een soort van aanhangsel van de gemeente. Officieel hoor ik erbij. Mijn naam staat op een lijst in de computer. Maar in het echte leven… zweef ik ernaast.

Nu ik hier over denk merk ik dat het me wat doet. Het maakt me klein. Onzichtbaar. Alsof mijn aanwezigheid er niet echt toe doet. Alsof ik er ben om het plaatje van de kerk compleet te maken ‘kijk, ook mensen met een beperking horen erbij’.

Erbij horen is iets anders dan erbij zitten. Erbij horen betekent dat iemand mij mist als ik er niet ben. Dat iemand mijn naam kent, mijn verhaal, mijn bezigheden. Dat iemand zijn tempo aanpast omdat ik er ben. Niet andersom. Maar dat gebeurt zelden.

Ergens snap ik het wel. Mensen weten niet zo goed wat ze moeten doen. Ze zijn bang om iets verkeerds te zeggen. Bang om te dichtbij te komen. Dus houden ze afstand. Maar die afstand voelt voor mij als afwijzing. Niet één keer. Maar elke week opnieuw.

De kerk spreekt over liefde. Omzien naar elkaar. Over gemeenschap. Grote woorden. Maar als niemand naast me komt zitten, blijven het woorden.

Wat ik nodig heb is geen perfect gedrag. Geen ingewikkelde oplossingen. Ik heb iemand nodig die blijft staan. Die het ongemak aandurft. Die niet na negen seconden weer wegkijkt.

Iemand die mij ziet. Niet als project. Als uitzondering. Maar als mens. Dus als je me ziet zitten, loop niet door. Want er is weinig zo pijnlijk als elke week ergens te zijn en je toch niet gezien te voelen.

Door: Kees Ritmeester, geschreven vanuit het oogpunt van zijn zoon Jakke.
Deze column is verschenen in MagaSien – zomer 2026

Op de hoogte blijven?

Meld je aan voor de maandelijkse nieuwsbrief!